De zwartharige met het purperen kleed

Page history last edited by Dirk Vekemans 10 mos ago

wij danken vooraf google voor hun inbreng:

laat ons bidden dus in stilte dat de stilte

onze wereld omsluite zoals wij in stilte

de wereld omsluite. prevel prevel.

Zakdoeken.

Snot.


 

tekstenKermis tekstenkermis=new tekstenKermis();

tekstenkermis.start();

 


Nanacht

De ochtendmelodie is opgelegd, het glooit

Waar het glooien moet, de roos is

Roos waar geen latinist een roos kon

Zien, het Zijn het zijn ja wel dát nu nee

ik heb Je haar dus even uit de perforaties van

je rol gelicht het duister is wit nu kliederwit

& je denkt toch niet die vloer dat

blauwe knollenbehang? Kijk, de irritatie,

het wachten is haar zo opgespannen maar

ze kan het zo wel uren rekken de kam

van haar rug heeft nl. nog de warmte

van haar bekken, zeg maar, bv.: o die kras


polyfoon 1

Je uiterlijk woelt & wolkt

diep in het zwelwerk, de spieren

brommen rijk, je mond ploft beeldspraak

christalclear in elke invalshoek.

De kamerplant bakent het af, de klare wijn

consigneert, het vakgebied implodeert

in schichten waar je hand was, verzuchtte

lucht verduurd de witte vlammen uit

der ijlings nog verworvenheden. Het vlies

ruimte zit je strak, het net tijd omspant je

intact, je huid uit zich als een veld

uitgelezen wol. Je spat open

als het ultieme blikje

boomvrucht ik.

Dit daalt de tuimeldraden in, dit kauwt

de poortplug fijn, dit zwelgt

het splijtsap. Dit is de ramkraak

van het melismatisch organum, de link trefwoord

in slow motion gaande van het trefwoord

naar trefwoord naar de heilzame link

trefwoord & je bent het, volledig

het niets was even

levensvatbaar

tussen de duim

& het niets van U

in zicht.


PRIBRAMIAANS

 

'He =Karl Pribram believes that conscious experience is the act of correlation itself and that correlation occurs in the dendritic structures by the summation of the polarisations (and depolarisations) through the processes in the dendritic networks'

Jeff Prideaux (WCU) in "Comparison between Karl Pribram's "Holographic Brain Theory" and more Conventional Models of Neuronal Computation", XXXXX, Compiled and edited by XXXXX, XXXXX 2006, ISBN 0-9550664-4-1, p82

Beeld je in dat de woorden

dit deden dit bibberen

dit bloeden dit

Hier zijn en het dan

pardoes begeven.

Uw restbestand, o gij uitgaande u,

o gij schokkend okeren tot 't donker

stille inkerende sterfding, o gij ademloze

zweetlap die in de glijwateren als een aal

in alg-groene poelen gedijt & smetteloos toch

uw schrilste klinkers kirrende berent,

o gij die instort meteen & als een

alles van uw leven extatisch

is, in alles aleph is, zo

ik het sluiken van uw haren, die

vinger daar de druppel net nog

maar de vergetelheid al uitschuif, op

het valluik uit de kuil in de muil

van het rasterende mormel

te kijk leg, zich laat te zien

zijn - uw worden, zeg maar

Uw restbestand dus zakt

weldra resoluut onder de

kritische grens waarna, zo

vrees ik, de holonomische

restitutie wellicht geheel

onmogelijk wordt. We zouden

zullen we

met andere woorden

hier maar 's moeten

praten?


NEEM EEN STAD , PLOOI ZE OPEN

I

[helicopters vliegen over, geluiden

van een woedende menigte]

Zeefdruk van een werelddeel : ik heb

een vinger in de inkt, leg

hem eruit, verscheur

de vrede op papier. Gedachtengang

waaraan bij benadering nooit een einde

komt. Die Europese teef,

dat stukje in pathetisch gekleurde olie

vereeuwigd vlaggenzwaaiend moederschip,

een met afhangende vleeslappen

neergekwaste nipplegate dat bijna

in al haar schreeuwlelijkheid tot hot item

verhard, galmend in haar holtes van Liberté,

Fraternité en Egalité, waarin de vuist

van het Verzet veelvuldig met aanzuiggeluiden

ingemurwd, uitgewrongen wordt, zo

wil je die bloedvrouw (komaan, komt

er nog wat van) op haar punt

doen verklonteren : dat het niets

is, wat je wou, hoe stilletjes je

het haar zeggen zou, terwijl op 4 juli

0u.50 stipt het stof van haar netjes

imploderend lijf als een midsteeds

afgeschreven wolkenkrabber hoogst

professioneel gedynamiteerd door de dochter

van Red Adair door de aanpalende

straten stuift, de genetworkte

camera’s tegemoet: doordraven, langer

dan goed voor je is. Want

wiens krakende stem was het, hoe werd

er gestorven, wie droeg daar de woorden

uit of zei ze niet zelf: Schuw niet

die verbijsterende hemelbreedte

tussen de kramp in je voet

& het spoor op beton

van een slak zonder huis

tot een steenwormpje dood,

als je wil dat ik kom?

Walging en ontzetting

verwekkende wreedheid

leg je de handen op, het schrift

en de mond, een

meer dan beestachtige

incorrectheid die zich meet aan

de Inquisitie, de Rode Khmer of

een spraaktechnologisch geplande

kleine onvolkomenheid

zoals onze vergissing (was het nu Bush

of Blair, de vingertjes krommen)

bv de meedogenloze plof &

vervolgens het krachtdadige

rukken van het hart

uit - oh sorry guys-

de joodse mystiek.

Het gruwen daarentegen was haar net zo stevig

aangesnoerd als de riempjes van een neo-prof,

dus je kon het je wel laten afglijden, die huid

en die wrat op je vel.( KLETS zo kletst er plots 10

jaar na datum een jong meisjeslijf als een terminator

uit een lekker rampzalige toekomst

de poëtische bühne op)

Een makkie, jongens, hup maar, niks heeft ze

om aan af te schuren. Oogst met het vet

van de grond & de zegen van pausen

lillend tot hapjes verstrengeld, gebruiksvriendelijk

op je bord gekwakt. Verviervoudigde

kijkcijfers nog voor je de woorden

vantussen de algen kon vissen : leegloop

van kranen, stortvloed van flessen,

klaterend glas in een spiegelplas haat.

Vuur zal het stelpen wel stoppen.

Een lijk struint inmiddels door de duinen, krijst

een meeuw aan dat het béter kan schuimbekken,

snéller plukken, langere dagen kloppen

 

Is er een wens in je hart, een voorkeur

van vinger, macht in het wit van je lach ?

Wat heet behoedzaam als je vel

toch al openligt ? Kleumt de zon

morgen een klad kleur op je tong ?

II

 

Strijkers! & de snaren staan al te springen.

In een uithoek wil zonodig een papperig blondje

met de billen stevig in het zeil gedrukt

een bloederige torso met repen spek beslaan.

Ze weet nochthans best van net nog in de krant

dat er aldus water in de tent belandt.

Luchtafweergeschut ondersteunt haar lijdzaam,

slag op slag, met plukjes licht in de lucht.

Torso in kwestie murmelt kathedraalgezangen, sist

centrifugaal het stof wegweg van de frees,

klappertandt tot het stilvalt, omstuikt

& hits braakt : het ritme zit goed

het tempo is er, de nooddruft &.

beverig begerige hufters schuiven af, schuiven aan,

passen beschikbare titels aan. Doodshoofd

met ambitie heeft een ouwe Messerschmidt

bemand & hakt met beleidsfehige precisie

hier en daar een rijtje halfmidden. Dit soort

meesterschap verwerf je niet zomaar, vereist

een

Barst. Breekpunt plots in een brei

reikhalzende reisreportages : het

Wicht is er, twee gibberende heksen

ondersteunen haar vleugels, een dwerg

dwingt met moeite haar slagstaart

de grond af. Krëfel Krapunzel stormt

uit de boxen met een oude lachslang

over de val van de muur. Een zweetzak

parelt uit de nok omlaag met de vraag

Was het nu rood of blauw ? Sluiers

buikdansen het antwoord en de tent

omtploft. Feilloze wakslag, die schijf.

Ik ben er weer, plots, want ik voel mijn buik

zich bedenken : stroom is niet

éénieder gegund, er wordt in verdere

steden nog verdeling gepredikt : twee

maten, twee dagen, een duizendtal

driemasters om het plat van de aarde

te besnijden. Kommer & kwel,

uiteraard, maar dit soort hardnekkigheid

krijg je de kop niet ingedrukt. Zwelg

wat je wil, een lijflied blijft kleven.

 

Klok in je keel, hand op je hals :

waar eindigt mijn hand, waar start

het gebaar ? Zie je de handen branden

achter de randen van mijn handen?

Verlang toch niet zo, buitenbeeld waggelt

als immer de tovenaar, wijst met zijn stok

naar het woord in je haar, vraagt of je nog vonkt,

al vult de wereld zich vol met de geur

nu je brandt. Straalt nog effen je oog

op het bot van dit mes, pit op het blauw

in de vlam rond je hoofd, tik op je rug

die zich kromt nu ik lik in mijn hand ?

III

Neem een stad. Plooi ze open. Hangt

er een peertje naakt in een cel te gloeien?

Zeg ik teveel als ik om het uur een kom

rozig water door een sjofele sprinkhaan

in de sterfput laat ledigen?

Plooi ze weer dicht.

Vraag dan verder ook maar niet meer

naar wat niet het geval is. Krijgen

doe je mij toch niet.

 

 

In- of ex-, wat maakt het uit : de laatste

golven ebben weg, verstrooien de asse

in de bak voor mijn neus tot een vorm

van gelegenheidsvisioen. Kijk,

daar heb je haar weer, onweerlegbaar.

Een berg stormt ze af. Zo snel als ze kan,

om de beweging daarin niet te voelen.

Beetje zoals ik doe als ik wekenlang

stokstijf het draaien van de zon

rond mijn hoofd sta te ontkennen.

Beneden gekomen wenkt ze wulps

naar iemand die bleef bovenstaan :

zie je nu wel, hoe makkelijk dat was ?

Geen reactie. Trekt de stof tot een strik

op haar borst : kom je dan niet ? Geen kik.

Ze gaat weg, bergt haar rug in de kast

van dit land. Bovenaan haakt de man

zijn armen uit het kruis & zet de hemel

aan tot spoed, voornamelijk omdat hij dat

elke dag zo doet. Het vervolg laat zich raden :

hij daalt & met hem de massa kreunenden

onder hem. Al die onzin is

& blijft teveel voor een man alleen.

 

Comments (0)

You don't have permission to comment on this page.